Het dwangakkoord: Wet Continuïteit Ondernemingen II (WCO II)

schuld

Met het wetsvoorstel Wet Continuïteit Ondernemingen II wordt de mogelijkheid gegeven om buiten een insolventieprocedure om een akkoord aan te bieden aan groepen schuldeisers en in voorkomende gevallen ook de rechter te vragen dit akkoord algemeen verbindend te laten verklaren voor alle schuldeisers die in de betreffende groepen zijn ingedeeld. 

Huidige situatie

Op dit moment heeft een onderneming twee mogelijkheden om tot herstructurering van de schulden te komen, te weten het buitengerechtelijk akkoord en gerechtelijk akkoord.

Het buitengerechtelijk akkoord is de “jungle”: er heerst contractsvrijheid en er zijn geen regels die kader scheppen voor een minnelijke regeling met de schuldeisers gezamenlijk, anders dan de regels van het commune (civiele) recht. Omdat formele waarborgen ontbreken is minder snel sprake van een (onrechtmatig) sluipakkoord: een regeling met de ene schuldeiser regardeert de andere niet. Het komt met regelmaat voor dat een onderneming schulden wil saneren door middel van een kapitaalinjectie, maar dan stuit op de (ook ethische) afweging om ofwel niet alle schuldeisers gelijk te behandelen, ofwel te riskeren dat een gezamenlijke regeling wordt gefrustreerd door een (kleine minderheid van) schuldeiser(s), al dan niet om zakelijke redenen.

In het Payroll-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat op de totstandkoming van een onderhands akkoord de gewone regels van het verbintenissenrecht van toepassing zijn. In beginsel staat het een schuldeiser dus vrij om het door de schuldenaar aangeboden akkoord te weigeren. Indien de uitoefening van deze bevoegdheid wordt misbruikt en de schuldeiser naar redelijkheid aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren, is het gerechtvaardigd de dwarsliggende schuldeiser aan het akkoord te binden. Hieruit volgt dat slechts onder zeer bijzondere omstandigheden plaats kan zijn voor een bevel aan een schuldeiser om aan de uitvoering van het aangeboden akkoord mee te werken. De lagere rechtspraak is sindsdien veel terughoudender in de vaststelling dat de weigering van een schuldeiser om in te stemmen met een onderhands akkoord. Mede daardoor bestaat behoefte aan een wettelijk kader waarmee een meer specifiek toetsingskader wordt gecreëerd, zodat de mogelijkheden voor een schuldeiser om een akkoord te frustreren worden beperkt en de kansen voor een akkoord buiten insolventie worden vergroot.

Wetsvoorstel WCO II

Het wetsvoorstel WCOII biedt dit kader. Uitgangspunt is dat de rechten van schuldeisers zoveel mogelijk worden gerespecteerd maar, waar noodzakelijk, ook kunnen worden beperkt. Kort gezegd geeft wetsvoorstel een procedure voor het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord. Dit aanbieden gaat gepaard met een verzoek aan de rechtbank om vaststelling van een crediteurenvergadering, waarin gestemd wordt over het aangeboden akkoord. Het akkoord is vormvrij, er is dus geen voorgeschreven formulering van het aan te bieden akkoord. Dat biedt flexibiliteit.

Klassen en stemming

Bij het akkoord kunnen de schuldeisers worden onderverdeeld in klassen. De schuldeisers met dezelfde “soort” vorderingen worden in dezelfde klasse geplaatst. Ook de aandeelhouders kunnen worden geplaatst in één of meer klassen. Aan deze klassen wordt een akkoord aangeboden. Het akkoord is aangenomen als alle klassen hebben ingestemd met het akkoord. Een klasse heeft ingestemd met het akkoord als binnen die klasse de helft of meer van de aan stemming deelnemende schuldeisers/aandeelhouders voor het akkoord heeft gestemd en die schuldeisers ten minste 2/3e van de schuldenlast/het aandelenkapitaal vertegenwoordigen.

Verbindend verklaring

Als het akkoord is aangenomen, dan kan de rechtbank het akkoord algemeen verbindend verklaren. Daarbij zal de rechtbank een algemeen belangenafweging maken. Als sprake is van bedrog of begunstiging, of als de belangen van sommige schuldeisers onevenredig worden geschaad, wijst de rechtbank het verzoek om algemeen verbindendverklaring af.

Gevolgen van het akkoord.

Het (dwang)akkoord zal doorgaans inhouden dat schuldeisers en aandeelhouders in hun rechten worden beperkt. Van schuldeisers kan kwijting worden verlangd, terwijl aandeelhouders hun aandelen(belang) kunnen verliezen.

Aanbieden van een akkoord door een schuldeiser

Niet alleen de debiteur kan een akkoord aanbieden, ook een schuldeiser kan een akkoord aanbieden. Dat akkoord kan inhouden dat een financiering wordt verstrekt, tegen afname van de aandelen door de aandeelhouder(s). Op deze manier kan een “vijandige overname” worden gerealiseerd. Het wetsvoorstel houdt in dat, als de schuldenaar een akkoord heeft ingediend, andere schuldeisers ook een (beter) akkoord kunnen aanbieden.

Gevolgen voor het minnelijk traject

De procedure die nu is voorgesteld zal ook gevolgen hebben voor de onderhandelingspositie van schuldeisers en debiteur in de fase voorafgaand aan de indiening van een dwangakkoord. Op dit moment is het alternatief voor een buitengerechtelijk akkoord het faillissement, maar als de regeling van de WCO II van kracht is, dan kunnen alle partijen hun positie gaan afzetten tegen hun positie bij een dwangakkoord.

Het dwangakkoord: Wet Continuïteit Ondernemingen II (WCO II)
Help ons door deze pagina te waarderen!

Trefwoord(en): , , , , , , , , ,

Een specifiekere vraag over dit onderwerp?

Stel deze dan via het vraagformulier en u krijgt persoonlijk antwoord.

Laat een reactie achter